De kapitalisering van het intieme – een interview met Hans Schnitzler

(dit interview verscheen in Cimedart - Tijdschrift voor Filosofie 46#1)

Onze vriendschappen, emoties, gedachten en aandacht dreigen gereduceerd te worden tot koopwaar. Dat is waar filosoof en voormalig Volkskrant-columnist Hans Schnitzler voor waarschuwt in zijn recent verschenen boek Het digitale proletariaat (2015). Silicon Valley zet een industrie op die onze intieme sfeer probeert te vermarkten. Zoals de industriële revolutie een industrieel proletariaat voortbracht, zo brengt de digitale revolutie een digitaal proletariaat voort: de mens waarbij het bewustzijn tot koopwaar is gereduceerd.

Niets minder dan de menselijke waardigheid staat op het spel in deze ‘strijd om het bewustzijn’. Omdat Jean-Baptiste Cimedart de menselijke waardigheid hoog in het vaandel heeft staan, zette hij zijn smartphone op vliegtuigstand en dronk een kopje koffie met ‘vrolijke twitteraar’ Schnitzler.

Een strijd om het menselijk bewustzijn, dat klinkt nogal fors. Wat is er precies aan de hand?
‘Volgens mij ligt de frontlinie van wat ik ‘de strijd om de menselijke geest’ noem op dit moment bij onze aandacht. De technologieën die door bedrijven als Google en Facebook geproduceerd worden draaien allemaal om het verkrijgen en vasthouden van onze aandacht. Het kapitaliseren daarvan door middel van advertenties, is hun verdienmodel. We worden permanent afgeleid en gelokt met notificaties. Er ontstaat een aandachtseconomie. Volgens mij is er inmiddels een algemeen bewustzijn dat hier risico’s mee gepaard gaan. Mensen kiezen bijvoorbeeld voor een al dan niet tijdelijk zelfverkozen digitale geheelonthouding, of doen aan phone-stacking. Dat is wanneer je tijdens een etentje allemaal je telefoon op een stapel legt, zodat niemand afgeleid kan worden [red.]. Het is logisch dat dit belangrijk word gevonden. Aandacht is een belangrijk concept voor ons mens-zijn: het hangt nauw samen met begrippen als liefde, verlangen en identificatie.

Naast deze strijd om onze aandacht, wat is er nog meer aan de hand?
‘Een ander voorbeeld is de missie die Google zichzelf heeft gesteld: de tijd tussen intentie en handeling te reduceren tot een paar seconden of zelfs een fractie van een seconde. Dat lijkt misschien een technologische kwestie – een probleem dat opgelost moet worden – maar er steekt een bepaalde ideologie achter. We zouden ons moeten afvragen wat een handeling nog is als er geen tijd meer is voor reflectie op die handeling. De belangrijke vraag die wij ons moeten stellen is de volgende: wat drijft onze nerds – de grote uitvinders van nieuwe technologieën uit Silicon Valley – eigenlijk? Welke waarden streven zij na? Want deze waarden keren in materiële vorm terug in de technologieën die zij ontwikkelen. De discussie rond onze aandacht is een concreet aanknopingspunt aan de hand waarvan wij deze vragen kunnen beantwoorden.’

Schnitzler is niet de enige die waarschuwt voor de macht die digitale media hebben om ons te beïnvloeden voor financieel gewin. Motherboard, het technologiekanaal van nieuwsorganisatie VICE, publiceerde niet lang geleden een artikel met een interessant gedachte-experiment. Stel je voor: je hebt een relatie en Facebook ontdekt dat je over het algemeen als vrijgezel vaker op advertenties klikt. Facebook zou dan kunnen beslissen jou vaker artikelen voor te schotelen met titels zoals ‘Tien redenen waarom singles gelukkiger zijn’, of je net iets vaker langs updates van die éne populaire vrijgezelle vriend(in) laten scrollen. Je zou deze gedragsbeïnvloeding niet doorhebben, omdat het algoritme dat Facebook gebruikt geheim is en de berichten weergegeven zijn in de vorm van suggesties van vrienden.

Ligt dit gedachte-experiment van Motherboard een beetje in lijn met uw boek?
‘Zeker. Dit scenario is vrij extreem, maar in principe is het mogelijk dat dit gebeurt of gaat gebeuren. Facebook doet veel onderzoek naar het gedrag van gebruikers op hun netwerk. Het gedachte-experiment dat je noemt doet mij denken aan een onderzoek waarbij Facebook rommelde met het nieuwsoverzicht van mensen om te onderzoeken hoe mensen reageren op negatieve en positieve berichten. Zo onderzochten ze hoe emoties zich over Facebook verspreiden. Het uiteindelijke doel was natuurlijk hiermee geld te verdienen. Het gedachte-experiment laat goed zien hoe door de digitale revolutie zelfs de meeste intieme zaken – vriendschap, emoties en liefde – een economische waarde toegekend krijgen. Data en algoritmen blijken extreem krachtige technieken om het intieme op een dusdanige manier te beheersen. Maar we moeten ons afvragen: wat betekent dit voor de vrijheid? Wat vermag ons handelen nog als we het volledig inbedden in data en algoritmen?’

Een term die een aantal keer voorkomt in uw boek is ‘intiem kapitaal’, een term die Stine Jensen ook veel gebruikt. Wat is dit precies voor kapitaal?
‘Ik ben het idee achter dit begrip voor het eerst op het spoor gekomen vanuit een vroege fascinatie voor het intieme in de publieke ruimte. Denk bijvoorbeeld aan emotie-televisie uit de jaren ‘90, zoals bij Jerry Springer. Hier zie je voor het eerst hoe de industrie persoonlijke zaken en emoties succesvol in een grondstof voor financieel gewin weet om te zetten. Het intieme verwordt zo tot kapitaal.’

Wat is daar precies erg aan?
‘Vanwege een steeds groter tekort aan privacy ontstaat er bij mensen zoiets als een intimiteitsoverschot. De waarde van het intieme wordt steeds kleiner. En je weet wat er gebeurt met overschotten: die worden gedumpt. De waarde wordt niet meer gezien.’

Door sociale media ontstaat de druk om alles wat we doen online te delen. Daardoor verliezen we steeds meer van onze privacy. Van het beetje intimiteit dat overblijft weten we niet meer wat we er mee aan moeten.
‘Zo zou je het kunnen zeggen. In mijn boek haal ik het voorbeeld aan van een Britse vrouw die haar zelfmoord aankondigde op Facebook. Dat bericht werd door een groot deel van haar vrienden gelezen maar niemand greep in. Sterker nog, men plaatste beledigende reacties onder de aankondiging. De waarde van deze intieme mededeling was bijna nul.’

Waarom laten wij ons eigenlijk verleiden om dit soort manipulatieve structuren op te zetten?
‘Volgens mij heeft alle techniek te maken met een diepgewortelde argwaan voor het menselijk handelen. Meer in het algemeen, voor de inherente onvoorspelbaarheid van het leven. De onomkeerbaarheid van iedere handeling beangstigt ons. Met technologie proberen we de wereld voorspelbaar te maken, in onze greep te krijgen. Ik zie die tendens beginnen bij Plato’s ideale staat, ook een project om alles onder controle te krijgen. Juist in Silicon Valley is die drang om al het menselijke handelen voorspelbaar te maken heel groot. Technologie wordt daar als de oplossing voor alles gezien. Er heerst een soort neo-positivistische geest. Het idee dat data neutraal is klopt natuurlijk niet en dat je de wereld in data kunt vatten is op zichzelf een theorie. Een vrij nihilistische theorie.’

Er is volgens Schnitzler overigens geen sprake van een kwaadaardig plan; het verlangen naar controle koppelt hij aan wat hij ziet als de fundamentele technologische conditie van de mens. Door het ontstaan van het digitale proletariaat te koppelen aan een inherente technologische conditie van de mens lijkt het misschien alsof Schnitzler deze ziet als iets onvermijdelijks. Kunnen we er eigenlijk wel iets tegen doen? Volgens Schnitzler kan dat: hij is positief over de menselijke weerbaarheid.

‘Juist door de gevaren aan te tonen en ons bewust te worden van de risico’s, kunnen we technologie de goede kant op sturen. Maar het wijzen op de gevaren, daar is op dit moment te weinig ruimte voor. We leven in een tijd van een enorm techno-optimisme. Door uit te gaan van het negatieve, kunnen we echter interessante dingen leren. Iemand die dit goed doet is Nick Bostrom. Hij doceert in Oxford aan het Future of Humanity Institute en maakte een lijst van existential risks. Hij onderzoekt de grote gevaren voor de mensheid, zelfs al zijn ze heel onwaarschijnlijk. Juist door vanuit het gevaar te beginnen, kunnen we volgens mij de positieve kanten beter ontwikkelen. Eigenlijk ben ik heel hoopvol. Ik geloof dat de mens naast de drang naar controle een sterke behoefte heeft om échte ervaringen op te doen, om de weerbarstigheid van het leven te proeven. In mijn boek haal ik de beroemde experience machine van Robert Nozick aan. Stel je voor dat er een machine bestaat, waar we in kunnen stappen om vervolgens een simulatie van het perfecte leven te ervaren. We zouden dat niet doen, omdat we het als een vorm van zelfmoord zouden ervaren. Leven is een werkwoord.’

Dat verlangen naar weerstand staat tegenover het verlangen naar controle. Moeten we een afweging maken tussen deze twee verlangens?
‘Ik weet niet of je daar zomaar een afweging tussen zou kunnen maken. Het draait wel om de vraag: wat is eigenlijk de mens? En in het verlengde daarvan: wat voor eisen willen we stellen aan de technologie? Dat zijn vragen die we niet alleen aan uitvinders over kunnen laten, maar waar we ook denkers op los moeten laten. Het gaat namelijk niet alleen over concrete technologieën en oplossingen, maar juist om wat voor soort waarheid die uitdragen. Bij de presentatie van mijn boek zei Marleen Stikker, de directrice van de Waag Society, iets dat me aan het denken heeft gezet. Ze riep filosofen op om ook ontwerpers te worden. “Leer programmeren!”, dat is haar boodschap. Daarmee kan er iets van reflectie opgenomen worden in het proces van ontwerpen en productie. Ik zie daar wel iets in. Toch kan dat ook niet alles zijn: als onderdeel van de keten is er een risico dat je het overzicht verliest. Kritiek van buitenstaanders is essentieel. Dat is de taak van de filosofie.’

Het internet en de digitale media hebben ook een hoop goeds opgeleverd: kennis is eerlijker verdeeld en veel werk kan efficiënter gedaan worden. Dat positieve geluid ontbreekt voor een groot deel in uw boek, waarom is dat?
‘Dit boek heb ik geschreven als pamflet, omdat ik denk dat de negatieve kanten nu belangrijker zijn dan de positieve kanten. Uiteindelijk ben ik vrij optimistisch over de menselijke weerbaarheid en creativiteit. Maar ook over de technologieën zelf ben ik niet alleen maar kritisch. Ik ben bijvoorbeeld ook een vrolijke twitteraar. Het is belangrijk om bij nieuwe technologieën uit te gaan van het slechtste geval: wat zijn de risico’s en welke waarden zijn hier mee verbonden? Dit doen we ook wanneer we kinderen opvoeden: bij het oversteken leren we ze eerst links en rechts te kijken. En dan leren we ze nog een te keer kijken of er echt niks aan komt.’



Hans Schnitzler, Het Digitale Proletariaat, De Bezige Bij, 175 pagina’s, €16,90.