Olifantenpaadjes

In de duisternis achter het raam glijdt eerst het station en dan een weiland voorbij. ‘Goedemorgen’, klinkt een vrouwenstem – niet onaantrekkelijk – uit de speakers in het plafond van de treincoupé. Ik kijk op mijn horloge. 03:32 staat er in lichtgevende streepjes. De ochtend is een rekbaar begrip, in ieder geval voor de NS. ‘Dit is station Woerden.’ Gevolgd door een korte stilte. ‘Station Woerden.’ Ik ben nog maar een paar stations verwijderd van mijn slaapkamer.

Oneindig had ik me gevoeld tussen de dansende lichamen eerder die avond. Geklemd tussen de rijen stoelen in de trein komt zelfs dat gevoel me wat beperkt over. Ik had alle mogelijkheid om langer te blijven - morgen vrij, geen opdrachten waarmee ik achter loop - maar wist een uur geleden ineens dat het tijd was om op te stappen. Waarom wilde ik zo snel weg?

Ik vraag me af: hoe ontstaat een gedachte? Wordt ze opgestampt als een torengebouw, of woekert ze omhoog als een klimplant? Trek je haar met hijskranen uit de grond of kruipt ze met de juiste verzorging uit zichzelf naar boven?

Het is niet mijn gewoonte om de lezer direct aan te spreken, maar de aard van dit verhaal vraagt erom. Je leest over hoe ik in de trein zit. Deze zin, is die van jou of van mij? Ik schrijf hem, dat is waar - maar in jouw perspectief. Er had ook kunnen staan: ik schrijf over hoe ik in de trein zit. Het jij-perspectief is niet gemakkelijk realistisch neer te zetten: ik weet niet eens of je zit, ligt of staat. Wellicht wordt deze tekst aan je voorgelezen, dan klapt deze zin zelfs definitief in elkaar.

Eerder vandaag ben ik via een andere route naar huis gefietst. Niet via het grote kruispunt, maar daarvoor al, voor de stoplichten rechtsaf. Een stukje over het gras meepakken de fietspaden in. In het gras heeft zich een route afgetekend uit het spoor van de fietsers die me voor waren. Een olifantenpaadje: niet de door de architect uitgetekende route, maar een weg die ontstaat door gebruik. Ik las eens over een architect die eerst de gebouwen neerzette, daarna wachtte tot er paadjes tussen de gebouwen ontstonden en die vervolgens asfalteerde. Ontwerp volgt gebruik.

De beide routes naar huis zijn misschien even snel, dat weet ik niet. Er moet toch een reden zijn waarom ik altijd net die éne route fiets. ‘Dat is sneller,’ hoor ik iemand zeggen. Ach ja, mijn ex.

Het felle smartphonelicht op het gezicht van de man tegenover in de coupé herinnert me aan mijn eigen telefoon, die ik uit mijn broekzak haal. Eén melding: ‘LIVE: Debat geschorst, kritiek op rol Min-Pres’. Live kan deze melding niet meer zijn, tenzij de Tweede Kamer om half vier ‘s nachts nog debatteert. ‘Goedemorgen. Dit is station Breukelen. Station Breukelen.’, klinkt het in het treinstel. Ik scrol door de livestream die een redacteur eerder vandaag ijverig heeft bijgehouden. Links naar artikelen. Reacties, analyses, opiniestukken en tweets, alles verzameld in een eindeloze waterval van tekst, beeld en links.

De velden vliegen inmiddels als donkergekleurde vlakken voorbij. Ik sluit mijn ogen. ‘Excuse me, is this the train to Utrecht Centraal?’ Als ik opkijk, kijk ik recht in de vermoeide ogen van een donkere man.